HERNE / BEVER - Goshjiel roepen een vergane traditie?

HERNE / BEVER - Goshjiel roepen een vergane traditie?

Goshjiel_1_
HERNE / BEVER - Goshjiel roepen een vergane traditie? - © Deschuyfffeleer
 

De tijd dat kinderen op 31 december in de voormiddag van huis tot huis ‘Goshjiel’ gingen roepen, vooral in de zuidwestelijke uithoek van het Pajottenland, kent wel her en der een opflakkering maar in het algemeen is het een gebruik dat in de vergeethoek is gesukkeld. Hier en daar zijn er nog wel enkele kernen die deze volkstraditie in ere houden maar grotendeels is deze gewoonte jammer genoeg wel en goed uit het straatbeeld verdwenen. ‘Goshjiel roepen’ is niet te verwarren met Driekoningenzingen. Deze gewoonte is verbonden met het feest van Driekoningen op 6 januari en is pas ontstaan in het midden van de 20ste eeuw.

Godsdeel
Wat is nu eigenlijk Goshjiel? Het woord Goshjiel/ Gosjiel  blijkt een dialectische verbastering van ‘Godsdeel’ te zijn. ‘Godsdeel’, aan elkaar of van elkaar geschreven, is als naamwoord in het woordenboek niet terug te vinden. Ofwel werd het woord nog nooit officieel erkend ofwel is het mettertijd afgegleden en bijgezet bij de vergeten en overbodige begrippen. Een nog andere verklaring dat het woord niet in de Nederlandse standaardtaal voorkomt is dat het gaat om een sterk streekgebonden traditie en waarvan er de laatste decennia veel zijn gesneuveld.
Het gebruik zelf, dat kinderen er in de vroege morgen van de laatste dag van het jaar of ook nog Sylvesterdag genoemd, er op uit trokken om wat centen of snoep te sprokkelen, was indertijd in het Pajottenland en ook daarbuiten nog vrij algemeen verspreid.  Wel is het opvallend hoe deze traditie in de ene gemeente levendig gehouden werd terwijl ze in een naburige gemeente vrij onbekend was.
Ook bij Goshjiel hoort ‘voor wat, hoort wat’. Het jong volkje zong daarom ook nog uit volle borst typische liedjes die de handelaars en de huisbewoners moesten overtuigen van de goede bedoelingen van de bezoekers.  
Voor een deel van de gegoede burgerij was deelnemen aan de godsdeelpraktijk evenwel niet toegestaan, hetgeen dan ook veelzeggend was. Voor hen stond zo’n rondgang immers in dezelfde zin als bedelen. En bedelen dat was om aalmoezen vragen dat dan weer in hetzelfde schuitje zit als landloperij.
Tienden
Het recht van de arme om ‘Gods deel’ te gaan opvragen en de plicht van de vermogende om het te geven hebben wel stevige wortels die tot ver in de tijd voor Christus reiken. De tienden geven was trouwens iets dat al ingesteld was onder de wet van Mozes. Veel later en dichter bij ons was het tiende een belasting die in natura werd betaald op de opbrengsten van de landbouw. Deze belasting bedroeg, zoals het woord aangaf, 1/10 van de oogst. In de jaren 6 à 700  voerde de Kerk de tiendenplicht in. Dit gebeurde in de eerste plaats ten bate van de geestelijken en het onderhoud van de kerken, maar ook de armen werden hierbij niet vergeten. Hoe dan ook, de minderbedeelden konden zo eveneens, zij het in minieme mate, delen in een tiende deel van de bezittingen en opbrengsten dat door de clericus werd opgeëist als een deel dat God toekwam. ‘Godsdeel roepen’ is dan ook symbolisch verwant met om het ‘Godsdeel vragen’ aangezien beide duiden op een nadrukkelijk vragen om een gift ‘om Gods wil’.
De Franse Revolutie maakte een definitief einde aan de tienden. In ons land werden ze afgeschaft in 1797. Voor de parochies maakte dat weinig verschil uit, want de tienden waren inmiddels bijna allemaal in handen gekomen van hoogvermogende heren, edelen, kloosterorden, kapittelkerken en andere instellingen.
Kinderen 
Zeker de winter is een harde noot om kraken als men behoeftig is. Maar dompelaars en bedelaars wisten maar al te goed dat ze met de intrede van het Nieuwe Jaar met succes een beroep konden doen op de barmhartigheid en de vrijgevigheid van de feestvierende en extravagante gegoeden. Door de jaren heen werden de dompelaars en de bedelaars evenwel vervangen door de kinderen die, deels uit nood, deels uit overlevering van de gewoonte, ‘Godsdeel’ gingen sprokkelen. 
Al heel lang weten de kinderen dan ook niets meer van tienden maar toch blijven sommigen zich gedragen als trouwe erfgenamen van een eeuwenoud recht van de arme die, tot op een zekere hoogte, aanspraak kon maken op het ‘Godsdeel’. Gelukkig maar voor de folklore en de volkstradities. En waarom morgen dan ook niet terug met die traditie aanknopen?
Enkele voorbeelden van nieuwjaarsliedjes,  het ene al wat ‘katholieker’ dan het andere:
Oud jaar, nieuw jaar, 'k wens u een gelukkig nieuwjaar!
Oud jaar, nieuwjaar, twee koeken is een paar, ik wens jullie een gelukkig nieuwjaar!
Nieuwejaarke zoet, 'k heb kou voeten, 'k heb ne kouwe rug, 'k kom volgend jaar terug
Nieuwejaarke zoete, Een varken heeft 4 voeten, 4 voeten en ne staart, is dat dan geen centje waard? Ja ja, dat is waar, ‘k wens gelukkig nieuwejaar
Nieuwjaarke  hottentot, ons vader heeft ne kletskop. Zeven jaar zonder haar, ik wens u een gelukkig nieuwjaar
Nieuwjaarke zoete, ons varken heeft vier voeten. Vier voeten en een staart. Is dat gene nieuwjaar waard?
Allerbeste mensen, wij komen u wensen. Wij komen u wensen, voor het nieuwe jaar; het allerbeste, ah, 't beste voorwaar.
Nieuwjaarke zoete, 'k heb kou voeten. Laat me niet te lang staan, want ik moet nog verder gaan.
Ouwe jaar uit, nieuwe jaar in, de beuze staat open en steekt er maar wat in.

Wanneer men de deur niet opent worden de bewoners dan ook bedacht met een speciale attentie:
Hoog huis, laag huis, ‘r zit een gierige pin in huis.
artikel afdrukken
 
Delen op FacebookDelen op TwitterDelen op GoogleDelen op DeliciousDelen op DiggDelen op StumbleuponEmail ditMeer...
 
30 dec 2019
Godelieve Deschuyffeleer
© Deschuyffeleer
 
 
 
Terug
 

Meer Nieuws

Commerciële partners, advertenties en vacatures
Godelieve Deschuyffeleer | 30 jan 2020
Godelieve Deschuyffeleer | 31 dec 2019
Marc Colpaert | 31 dec 2016

archief